1. Probleem: Jart heeft 12 bloemen en doet steeds 6 bloemen in een vaas. Hoeveel vazen kan hij vullen?
2. Formule: Het aantal vazen is gelijk aan het totaal aantal bloemen gedeeld door het aantal bloemen per vaas.
$$\text{Aantal vazen} = \frac{\text{Totaal bloemen}}{\text{Bloemen per vaas}}$$
3. Berekening:
$$\frac{12}{6} = \cancel{\frac{12}{6}} = 2$$
Jart kan 2 vazen vullen.
4. Probleem: In een pakje zitten 5 pennen. Je wilt 20 pennen kopen. Hoeveel pakjes koop je?
5. Formule: Het aantal pakjes is gelijk aan het totaal aantal pennen gedeeld door het aantal pennen per pakje.
$$\text{Aantal pakjes} = \frac{\text{Totaal pennen}}{\text{Pennen per pakje}}$$
6. Berekening:
$$\frac{20}{5} = \cancel{\frac{20}{5}} = 4$$
Je moet 4 pakjes kopen.
7. Probleem: Farah heeft 12 boeken. Ze maakt stapels van 4 boeken. Hoeveel stapels kan ze maken?
8. Formule: Het aantal stapels is gelijk aan het totaal aantal boeken gedeeld door het aantal boeken per stapel.
$$\text{Aantal stapels} = \frac{\text{Totaal boeken}}{\text{Boeken per stapel}}$$
9. Berekening:
$$\frac{12}{4} = \cancel{\frac{12}{4}} = 3$$
Farah kan 3 stapels maken.
10. Probleem: Je moet 40 euro betalen. Hoeveel briefjes van 10 euro heb je nodig?
11. Formule: Het aantal briefjes is gelijk aan het totaal bedrag gedeeld door de waarde per briefje.
$$\text{Aantal briefjes} = \frac{\text{Totaal bedrag}}{\text{Waarde per briefje}}$$
12. Berekening:
$$\frac{40}{10} = \cancel{\frac{40}{10}} = 4$$
Je hebt 4 briefjes nodig.
13. Probleem: Kok Dean heeft 15 paprika's nodig. Hoeveel bakjes van 3 koopt hij?
14. Formule: Het aantal bakjes is gelijk aan het totaal aantal paprika's gedeeld door het aantal paprika's per bakje.
$$\text{Aantal bakjes} = \frac{\text{Totaal paprika's}}{\text{Paprika's per bakje}}$$
15. Berekening:
$$\frac{15}{3} = \cancel{\frac{15}{3}} = 5$$
Dean koopt 5 bakjes.
16. Probleem: Je tekent 25 cirkels. Hoeveel rijen van 5 teken je?
17. Formule: Het aantal rijen is gelijk aan het totaal aantal cirkels gedeeld door het aantal cirkels per rij.
$$\text{Aantal rijen} = \frac{\text{Totaal cirkels}}{\text{Cirkels per rij}}$$
18. Berekening:
$$\frac{25}{5} = \cancel{\frac{25}{5}} = 5$$
Je tekent 5 rijen.
19. Probleem: Lars wil 70 kaarsen kopen. In elk pak zitten 10 kaarsen. Hoeveel pakken koopt hij?
20. Formule: Het aantal pakken is gelijk aan het totaal aantal kaarsen gedeeld door het aantal kaarsen per pak.
$$\text{Aantal pakken} = \frac{\text{Totaal kaarsen}}{\text{Kaarsen per pak}}$$
21. Berekening:
$$\frac{70}{10} = \cancel{\frac{70}{10}} = 7$$
Lars koopt 7 pakken.
22. Probleem: Kim heeft 9 hondensnoepjes. Ze verdeelt ze over haar 3 honden. Hoeveel snoepjes krijgt elke hond?
23. Formule: Het aantal snoepjes per hond is gelijk aan het totaal aantal snoepjes gedeeld door het aantal honden.
$$\text{Snoepjes per hond} = \frac{\text{Totaal snoepjes}}{\text{Aantal honden}}$$
24. Berekening:
$$\frac{9}{3} = \cancel{\frac{9}{3}} = 3$$
Elke hond krijgt 3 snoepjes.
25. Probleem: 24 kinderen gaan mee op schoolreisje. Er kunnen 4 kinderen in iedere auto. Hoeveel auto's zijn er nodig?
26. Formule: Het aantal auto's is gelijk aan het totaal aantal kinderen gedeeld door het aantal kinderen per auto.
$$\text{Aantal auto's} = \frac{\text{Totaal kinderen}}{\text{Kinderen per auto}}$$
27. Berekening:
$$\frac{24}{4} = \cancel{\frac{24}{4}} = 6$$
Er zijn 6 auto's nodig.
28. Probleem: Bart heeft 30 euro. Elk shirt kost 5 euro. Hoeveel shirts kan hij kopen?
29. Formule: Het aantal shirts is gelijk aan het totaal bedrag gedeeld door de prijs per shirt.
$$\text{Aantal shirts} = \frac{\text{Totaal bedrag}}{\text{Prijs per shirt}}$$
30. Berekening:
$$\frac{30}{5} = \cancel{\frac{30}{5}} = 6$$
Bart kan 6 shirts kopen.
Delen En Vermenigvuldigen 0091Ef
Step-by-step solutions with LaTeX - clean, fast, and student-friendly.