1. Probleem: Bereken de hoeken Ĥ en Î in de gelijkbenige driehoek ΔGHI als Ĝ = 122°.
2. Regel: In een driehoek is de som van de hoeken altijd $$180^\circ$$.
3. Omdat ΔGHI gelijkbenig is en Ĝ = 122°, zijn de andere twee hoeken gelijk: $$Ĥ = Î$$.
4. Bereken de som van de twee gelijke hoeken:
$$Ĥ + Î + Ĝ = 180^\circ$$
$$Ĥ + Ĥ + 122^\circ = 180^\circ$$
$$2Ĥ + 122^\circ = 180^\circ$$
5. Los op voor $$Ĥ$$:
$$2Ĥ = 180^\circ - 122^\circ$$
$$2Ĥ = 58^\circ$$
6. Vereenvoudig door beide zijden te delen door 2:
$$Ĥ = \cancel{\frac{2Ĥ}{2}} = \frac{58^\circ}{\cancel{2}} = 29^\circ$$
7. Omdat $$Ĥ = Î$$, is $$Î = 29^\circ$$.
8. Probleem: Bereken de hoeken Ĵ en K̂ in de gelijkbenige driehoek ΔJKL als Ĺ = 48°.
9. Regel: De som van de hoeken in een driehoek is $$180^\circ$$.
10. Omdat ΔJKL gelijkbenig is en Ĺ = 48°, zijn de andere twee hoeken gelijk: $$Ĵ = K̂$$.
11. Bereken de som van de twee gelijke hoeken:
$$Ĵ + K̂ + Ĺ = 180^\circ$$
$$Ĵ + Ĵ + 48^\circ = 180^\circ$$
$$2Ĵ + 48^\circ = 180^\circ$$
12. Los op voor $$Ĵ$$:
$$2Ĵ = 180^\circ - 48^\circ$$
$$2Ĵ = 132^\circ$$
13. Vereenvoudig door beide zijden te delen door 2:
$$Ĵ = \cancel{\frac{2Ĵ}{2}} = \frac{132^\circ}{\cancel{2}} = 66^\circ$$
14. Omdat $$Ĵ = K̂$$, is $$K̂ = 66^\circ$$.
15. Bespreking van mogelijkheden:
- Als de gegeven hoek (zoals Ĝ of Ĺ) groter is dan 90°, dan zijn de andere twee hoeken kleiner en gelijk.
- Als de gegeven hoek kleiner is dan 90°, dan zijn de andere twee hoeken groter en gelijk.
- De gelijkbenige driehoek heeft altijd twee gelijke hoeken tegenover de gelijke zijden.
Antwoorden:
- $$Ĥ = 29^\circ$$ en $$Î = 29^\circ$$ in ΔGHI.
- $$Ĵ = 66^\circ$$ en $$K̂ = 66^\circ$$ in ΔJKL.
Gelijkbenige Hoeken F67404
Step-by-step solutions with LaTeX - clean, fast, and student-friendly.