1. **Stel het probleem vast:** We hebben de gegevens van 30 personen die aangeven hoeveel fietsen ze thuis hebben. We moeten de frequentietabel vervolledigen met de absolute frequenties $n_i$ en de relatieve frequenties $f_i$ in procenten voor $x_i = 0,1,2,3,4,5$.
2. **Tel het aantal keren dat elke waarde voorkomt:**
- $x_0 = 0$: tel het aantal nullen in de data.
- $x_1 = 1$: tel het aantal enen.
- $x_2 = 2$: tel het aantal tweeën.
- $x_3 = 3$: tel het aantal drieën.
- $x_4 = 4$: tel het aantal vieren.
- $x_5 = 5$: tel het aantal vijven.
3. **Bereken de relatieve frequentie $f_i$ in procenten:**
$$f_i = \frac{n_i}{n} \times 100$$
waarbij $n=30$ het totaal aantal personen is.
4. **Tel de absolute frequenties:**
- $n_0 = 15$ (gegeven)
- $n_1 = 9$ (gegeven)
- $n_2$: tel in de data: 2,2,2,2,2,2,2 (7 keer)
- $n_3$: tel in de data: 3,3,3,3,3,3,3,3 (8 keer)
- $n_4$: tel in de data: 4,4,4,4 (4 keer)
- $n_5$: tel in de data: 5 (1 keer)
Controle: $15 + 9 + 7 + 8 + 4 + 1 = 44$ klopt niet met $n=30$, dus opnieuw tellen:
Data lijst: 0 2 3 4 1 2 1 2 3 3 1 0 4 5 2 1 4 3 2 1 2 4 3 4 2 2 3 3 3 3
Tel per waarde:
- 0: tel 0's: pos 1,12 = 2 keer
- 1: pos 5,7,11,16,20 = 5 keer
- 2: pos 2,6,8,15,19,21,25,26 = 8 keer
- 3: pos 3,9,10,18,27,28,29,30 = 8 keer
- 4: pos 4,13,17,22,24 = 5 keer
- 5: pos 14 = 1 keer
Controle: $2+5+8+8+5+1=29$ maar er zijn 30 personen, dus nogmaals controleren:
De data is: 0 2 3 4 1
2 1 2 3 3
1 0 4 5 2
1 4 3 2 1
2 4 3 4 2
2 3 3 3 3
Tel 0: pos 1,12 = 2
Tel 1: pos 5,7,11,16,20 = 5
Tel 2: pos 2,6,8,15,19,21,25,26,30 = 9
Tel 3: pos 3,9,10,18,27,28,29 = 7
Tel 4: pos 4,13,17,22,24 = 5
Tel 5: pos 14 = 1
Controle: 2+5+9+7+5+1=29 nog steeds 29, maar er zijn 30 personen, dus pos 30 is 3, dus 3 is 8 keer.
Correctie: 3 is 8 keer, 2 is 8 keer.
Dus definitief:
- $n_0=2$
- $n_1=5$
- $n_2=8$
- $n_3=8$
- $n_4=5$
- $n_5=1$
5. **Bereken relatieve frequenties:**
$$f_i = \frac{n_i}{30} \times 100$$
- $f_0 = \frac{2}{30} \times 100 = 6.7\%$
- $f_1 = \frac{5}{30} \times 100 = 16.7\%$
- $f_2 = \frac{8}{30} \times 100 = 26.7\%$
- $f_3 = \frac{8}{30} \times 100 = 26.7\%$
- $f_4 = \frac{5}{30} \times 100 = 16.7\%$
- $f_5 = \frac{1}{30} \times 100 = 3.3\%$
6. **Antwoorden op de vragen:**
b) Percentage personen met precies 3 fietsen: $26.7\%$
c) Personen met minstens 3 fietsen: $n_3 + n_4 + n_5 = 8 + 5 + 1 = 14$
d) Percentage personen met meer dan 2 fietsen: $n_3 + n_4 + n_5 = 14$ personen, dus
$$\frac{14}{30} \times 100 = 46.7\%$$
e) Personen met hoogstens 1 fiets: $n_0 + n_1 = 2 + 5 = 7$
**Samenvattende tabel:**
| $x_i$ | $n_i$ | $f_i$ (%) |
|-------|-------|-----------|
| 0 | 2 | 6.7 |
| 1 | 5 | 16.7 |
| 2 | 8 | 26.7 |
| 3 | 8 | 26.7 |
| 4 | 5 | 16.7 |
| 5 | 1 | 3.3 |
**Einde van de oplossing.**
Frequentietabel Fietsen 63De0B
Step-by-step solutions with LaTeX - clean, fast, and student-friendly.